Margriet

Margriet

De margriet (Leucanthemum vulgare) is een enkel bloemige margriet met witte bloemen en een geel hart. De hoogte van de margriet bedraagt tijdens de bloei, in de periode mei-augustus, circa 50 tot 60 cm. Leucanthemum vulgare, de gewone Margriet staat graag op een goed gedraineerde en warme plek. Leucanthemum vulgare is een goede plant voor verwildering en als snijbloem. Je ziet ze vooral op voedselarme plekken (dijken en hooiweilanden).

Foto genomen: 25 mei 2015


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Vlier

Vlier

Sambucus nigra (Gewone vlier of zwarte vlierbes) Sambucus nigra is de bekende gewone vlier. Sambucus nigra wordt 4 tot 5 meter hoog en de bloei met witte bloemen vindt plaats in de maanden mei-juni. Na de bloei vormt deze vlier glimmende zwarte vruchten. De standplaats van Sambucus nigra dient zonnig tot halfschaduw te zijn. Sambucus nigra is zeer geschikt voor in een natuurlijke tuin of als solitaire heester (boompje) in de wat kleiner tuin. Sambucus nigra heeft geen bijzondere zorg nodig, kan 1 x in de drie jaar tot de grond worden teruggezet.

Foto genomen: 21 mei 2014


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

De gewone vlier (Sambucus nigra) is een plant uit de muskuskruidfamilie (Adoxaceae). De bloei is van mei tot juli. De bestuiving vindt plaats door insecten. De vruchten zijn in september en oktober rijp. De plant vermeerdert zich door zaad, dat met name door spreeuwen, die dol op de bessen zijn, wordt verspreid. Botanisch gezien zijn de bessen steenvruchten.

De gewone vlier wordt door het edelhert gegeten omdat zij de plantendelen kunnen verteren. Voor veel andere dieren is de soort giftig vanwege cyaanverbindingen in het blad. Op vlierhout is vaak de judasoorzwam te vinden.

De vlier stelt geen hoge eisen aan zijn standplaats en wordt zelfs in dakgoten gevonden.

Een in de natuur voorkomende variëteit van de gewone vlier is de peterselievlier (Sambucus nigra var. laciniata), die diep ingesneden bladeren heeft.

De gewone vlier is een kensoort voor de klasse van de doornstruwelen (Rhamno-Prunetea).

Vlieren laten zich gemakkelijk vermeerderen uit een stek van een twijg.

Het hout van de gewone vlier is zacht en splintert niet, maar het is hard als het gedroogd is. Daarom kunnen er kleine gebruiksvoorwerpen en instrumenten van worden gemaakt.

Het merg van de twijgen wordt toegepast om kleine voorwerpen te beschermen.

Vroeger eindigde de afvoer van de gootsteen boven de grond net buiten de muur. De vlierstruik werd hiervoor geplant en onttrok dit gat dan aan het zicht.[1]

Gekneusde bladeren bijeengebonden boven een deur of raam zouden muggen op afstand houden. Kransen van vliertakken legt men over de hoofden van paarden om lastige vliegen op afstand te houden.

Aan de vlier worden diverse heilzame werkingen toegeschreven. In het jaar 400 voor Christus, refereerde Hippocrates aan de vlier als zijn “medicijnkastje”. Andere bekende klassieke geneesheren, waaronder TheophrastusDioscorides en Galenus, beschouwden de vlier als een van de beste geneeskrachtige planten uit de natuur. De plantkundige Hildegard van Bingen in de 12e eeuw en de medicus en auteur Martin Blochwich in de 17e eeuw, prezen eveneens het belang van de vlier.[2]

Voorafgaand aan het tijdperk van de antibiotica, was vlier een van de belangrijkste ingrediënten in veel bereidingen van kruidengenezers, farmaceuten en medici. Vandaag de dag wordt vlier gebruikt als alternatief voor conventionele medicijnen en vooral in de vorm van een extract ter bestrijding van verkoudheidvirale infecties (Influenza en herpesvirussen). Vlier wordt vaak aanbevolen als complementaire therapie samen met de klassieke antioxidanten vitamine C en zink, ter ondersteuning van de natuurlijke herstelprocessen.[2]

De Europese zwarte vlier is een rijke bron van plantenpigmenten en fenolische bestanddelen. Ze bevatten de flavonolen quercetine-3-glucoside en quercetine-3-rutinoside en een groot aantal anthocyanen, een groep fenolische bestanddelen verantwoordelijk voor de diepe rode, paarse en violette kleuren van veel fruit, groenten en dus ook vlierbessen. De anthocyanen in vlierbessen zijn cyanidine-3-sambubioside-5-glucoside, cyanidine-3,5-diglucoside, cyanidine-3-sambubioside, cyanidine-3-glucoside, cyanidine-3-rutinoside, pelargonidine-3-glucoside en pelargonidine-3-sambubioside. Na consumptie kunnen de anthocyanen in vlier de antioxidantstatus in het lichaam significant verhogen. Dierexperimenteel onderzoek en in-vitro-onderzoek heeft uitgewezen dat anthocyanen celdood (zowel apoptotische als necrotische processen) verminderen en het risico op hartinfarct verminderen door ontstekingsremmende en ontspannende effecten op de kransslagaders.[2]

Gebruik in de keuken

Van de bloeiwijzen worden als nagerecht vlierbloesembeignets gemaakt.[3] De bloeiwijze wordt in pannenkoeken gebruikt. De Noord-Amerikaanse indianen frituren de bloesem. Van de bloemen maakt men siroop. Deze wordt ook geproduceerd in Engeland en staat bekend als Elderflower Cordial. In Zweden staat het bekend als Fläderblomssaft. De gedroogde bloesem worden gebruikt om kruidenthee van te zetten. Van de vlierbloesem wordt een verfrissende limonade gemaakt, die ook bij verkoudheden wordt toegepast. Gezeefde siroop van vlier is een huismiddel tegen keel- en buikpijn.

In de periode van Sint Jan (24 juni) de jonge scheuten gebruiken.

Vlierbessen bevatten veel vitamines. De bessen bevatten de naar het geslacht genoemde licht giftige stof sambunigrine, die echter door koken onschadelijk wordt. Van de vruchten wordt vruchtensap, sterke drankjamgelei en siroop gemaakt. Ook worden de bessen gebruikt voor het verven.

Zowel bloemen als bessen worden gebruikt voor het maken van vruchtenwijn.

Bijgeloof

Aan de bloesem van de vlier worden voorspellende krachten toegeschreven. In Centraal-Europa hangen jonge meisjes in de nacht van 21 juni een bloeiende bloeiwijze achter het bed. Hierdoor zal hun toekomstige echtgenoot zich in hun droom openbaren.[3]

In de middeleeuwen had de vlier de reputatie dat hij als afweerkruid beschermde tegen hekserij. De vlier was gewijd aan Vrouw Holle.

In hekserij en Wicca is de vlier een heilige boom die niet verbrand mag worden. De Wiccan Rede waarschuwt in het Engels: Elder is the Lady’s tree, burn it not or cursed you’ll be ofwel Vlier is de boom van de Vrouwe, verbrand haar niet of je wordt vervloekt.

Pijlkruid

Pijlkruid

Sagittaria sagittifolia of pijlkruid ontleend haar naam aan de pijlvormige bladeren. Deze pijlvormige bladeren treffen we altijd boven de waterspiegel aan. Op de waterspiegel kan het blad een andere vorm hebben variërend van rond tot lancetvormig. Onder water groeien lijnvormige bladeren. De witte bloemen met een paars hart verschijnen in de periode juni-augustus. Pijlkruid kan het beste in een oever geplant worden. De diepte kan variëren van 10 tot 30 cm of zelfs iets meer. Pijlkruid verdraagt enige schaduw maar staat toch graag op een zonnige plek. Pijlkruid heeft geen bijzondere zorg nodig. Vermeerderen door scheuren, door zaad of via de winterknoppen.

Foto genomen: 13 juli 2014


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Wilde Peen

Wilde Peen

De Wilde peen heeft als latijnse naam Daucus carota. Waar je de wilde peen makkelijk te herkennen is het rode tot zwart-purperachtige bloemetje wat in het midden staat van de witte (soms wat roze). een schermbloemige (Umbelliferae of Apiaceae). Zoals de naam al een beetje doet vermoeden heeft deze inheemse plant een relatie met de bekende oranje wortel, de geur van de wortel is identiek aan de “gewone” wortel, we kunnen de Wilde Peen gerust de Oerwortel noemen. De Wilde peen is eetbaar, zaai ze halverwege april, je kunt ze dan oogsten in oktober (Let op!, ze zijn dan erg dun en zijn wat bitterder dan de “gewone” wortel. De Friese naam is Wylde woartel, in het Engels Wild Carrot, op zijn Frans Carotte sauvage, en op zijn Duits Wilde Möhre. De Latijnse naam Daucus carota heeft zijn naamgeving te danken aan dat Daucus is afgeleid van de oude Griekse naam daucus wat wortel betekend of het woord is afgeleid van het Griekse daioo (wat verdelen of delen betekend), misschien omdat je grote wortels in stukken te snijd voor je ze eet. Carota betekent saffraankleurig. Vroeger was de naam van de Wilde peen Wilde wortel, nu vaak de naam vogelnestje. De naam vogelnestje heeft alles te maken met de vorm van het bloemenscherm, deze heeft namelijk de vorm van een vogelnestje (voordat de Wilde peen gaat bloeien). De Wilde peen staat graag op een zonnige plek en het liefst in een kalkhoudende grond (dat is de reden dat je hem veel in de Betuwe tegenkomt). De Wilde peen trekt ontzettend veel insecten en vlinders aan. De Koninginnenpage zetten hun eitjes er op af en de rupsen eten er lekker van.

Filmpje Wilde Peen

Wikipedia:

Wilde peen (Daucus carota), ook wel vogelnestje genoemd, is een plant uit de schermbloemenfamilie (Umbelliferae of Apiaceae). De plant komt algemeen voor in de Benelux.

De plant onderscheidt zich van de bekende oranjegele wortel of waspeen (Daucus carota subsp. sativa) door zijn penwortel die wit, vertakt en minder vlezig is. De geur van de wortel is echter onmiskenbaar. Wilde peen komt voor in droge graslandenbermendijken en duinen. De plant wordt 30-90 cm hoog.

Wilde peen is een tweejarige plant. De soort heeft koude nodig voor ze kan bloeien (dit heet stratificatie). In het tweede jaar, na de winter, gebruikt de plant de opgeslagen voedingsstoffen uit de wortel voor de verdere groei en ontwikkeling. De soort bloeit in juni tot de herfst met schermen. Het scherm bestaat uit vele stralen, waarvan de buitenste bij rijping in de vorm van een “vogelnestje” naar binnen zijn gebogen.

De bloemetjes zijn wit of roze met in het midden van het scherm vaak een plukje zwart-purperachtig. De elliptische splitvrucht is 2-3 mm lang, die met vier rijen lange aan de top hakige stekels bezet is. De plant is stijf behaard en de bladeren zijn twee- tot drievoudig geveerd. De plant is rijk aan caroteen en vitamine B.

Foto genomen:  1 augustus 2015


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

Gewone berenklauw

Gewone berenklauw

De gewone berenklauw (Heracleum sphondylium) is een wit bloeiende wilde plant die behoort tot de schermbloemige. De gewone berenklauw kom je in de Betuwe veel tegen, vooral bij dijken (stikstofrijke, vochtige grond zowel in de volle zon als in halfschaduw). De jonge stengels kun je eten.

Filmpje van de gewone berenklauw (Heracleum sphondylium)

Wikipedia:

De gewone berenklauw (Heracleum sphondylium) behoort tot de schermbloemenfamilie (Umbelliferae of Apiaceae). De plant komt van nature voor in Europa.

Het is een 90-150 cm hoge (met uitschieters tot twee meter), vaste plant, die veel langs dijken en wegen en in hooilanden voorkomt. De plant is ruw behaard en heeft drievoudig gevind tot vinspletige bladeren. De stengel is kantig en gegroefd. De gewone berenklauw bloeit van juni tot oktober met witte bloemen in veelstralige schermen. Het onderstandige vruchtbeginsel is tweehokkig met twee stijlen. De stijlen hebben een kussentje aan de voet. De gevleugelde vrucht is een tweedelige splitvrucht met eenzadige deelvruchtjes.

De gewone berenklauw komt vooral voor op stikstofrijke, vochtige grond zowel in de volle zon als in halfschaduw. De plant groeit op grasland, bosschages, in bossen en in onkruidvegetaties.

ls gesproken wordt over de berenklauw wordt vaak gedoeld op de invasieve exoten, de reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum) en Sosnowsky’s berenklauw (Heracleum sosnowskyi), waarvan het sap ernstige gevolgen kan hebben als het op de huid komt.

In RuslandEstlandLetland en Litouwen worden de stengels in de zon te drogen gelegd. Op de stengel vormen zich dan zoete, witte kristallen. De 15-20 cm lange, jonge stengels kunnen gegeten worden en smaken naar een combinatie van zoete komkommerkokosnoot en mandarijntjes. De stengels moeten geplukt worden voordat het blad zich gaat ontvouwen. Oudere stengels kunnen geschild gegeten worden. Bij het schillen moeten dan wel handschoenen gedragen worden om huidirritatie te voorkomen. De grote, aromatische bloemknoppen zijn van mei tot augustus rauw te gebruiken in salades. De zaden van de kleine of gewone berenklauw zijn ook te gebruiken. De smaak is enigszins vergelijkbaar met die van kardemom: bergamot, citroen en kamfer. Te gebruiken bij koken maar ook gemalen in salades.

Foto genomen; woensdag ‎24 ‎september ‎2014


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.