Margriet

Margriet

De margriet (Leucanthemum vulgare) is een enkel bloemige margriet met witte bloemen en een geel hart. De hoogte van de margriet bedraagt tijdens de bloei, in de periode mei-augustus, circa 50 tot 60 cm. Leucanthemum vulgare, de gewone Margriet staat graag op een goed gedraineerde en warme plek. Leucanthemum vulgare is een goede plant voor verwildering en als snijbloem. Je ziet ze vooral op voedselarme plekken (dijken en hooiweilanden).

Foto genomen: 25 mei 2015


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Vlier

Vlier

Sambucus nigra (Gewone vlier of zwarte vlierbes) Sambucus nigra is de bekende gewone vlier. Sambucus nigra wordt 4 tot 5 meter hoog en de bloei met witte bloemen vindt plaats in de maanden mei-juni. Na de bloei vormt deze vlier glimmende zwarte vruchten. De standplaats van Sambucus nigra dient zonnig tot halfschaduw te zijn. Sambucus nigra is zeer geschikt voor in een natuurlijke tuin of als solitaire heester (boompje) in de wat kleiner tuin. Sambucus nigra heeft geen bijzondere zorg nodig, kan 1 x in de drie jaar tot de grond worden teruggezet.

Foto genomen: 21 mei 2014


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

De gewone vlier (Sambucus nigra) is een plant uit de muskuskruidfamilie (Adoxaceae). De bloei is van mei tot juli. De bestuiving vindt plaats door insecten. De vruchten zijn in september en oktober rijp. De plant vermeerdert zich door zaad, dat met name door spreeuwen, die dol op de bessen zijn, wordt verspreid. Botanisch gezien zijn de bessen steenvruchten.

De gewone vlier wordt door het edelhert gegeten omdat zij de plantendelen kunnen verteren. Voor veel andere dieren is de soort giftig vanwege cyaanverbindingen in het blad. Op vlierhout is vaak de judasoorzwam te vinden.

De vlier stelt geen hoge eisen aan zijn standplaats en wordt zelfs in dakgoten gevonden.

Een in de natuur voorkomende variëteit van de gewone vlier is de peterselievlier (Sambucus nigra var. laciniata), die diep ingesneden bladeren heeft.

De gewone vlier is een kensoort voor de klasse van de doornstruwelen (Rhamno-Prunetea).

Vlieren laten zich gemakkelijk vermeerderen uit een stek van een twijg.

Het hout van de gewone vlier is zacht en splintert niet, maar het is hard als het gedroogd is. Daarom kunnen er kleine gebruiksvoorwerpen en instrumenten van worden gemaakt.

Het merg van de twijgen wordt toegepast om kleine voorwerpen te beschermen.

Vroeger eindigde de afvoer van de gootsteen boven de grond net buiten de muur. De vlierstruik werd hiervoor geplant en onttrok dit gat dan aan het zicht.[1]

Gekneusde bladeren bijeengebonden boven een deur of raam zouden muggen op afstand houden. Kransen van vliertakken legt men over de hoofden van paarden om lastige vliegen op afstand te houden.

Aan de vlier worden diverse heilzame werkingen toegeschreven. In het jaar 400 voor Christus, refereerde Hippocrates aan de vlier als zijn “medicijnkastje”. Andere bekende klassieke geneesheren, waaronder TheophrastusDioscorides en Galenus, beschouwden de vlier als een van de beste geneeskrachtige planten uit de natuur. De plantkundige Hildegard van Bingen in de 12e eeuw en de medicus en auteur Martin Blochwich in de 17e eeuw, prezen eveneens het belang van de vlier.[2]

Voorafgaand aan het tijdperk van de antibiotica, was vlier een van de belangrijkste ingrediënten in veel bereidingen van kruidengenezers, farmaceuten en medici. Vandaag de dag wordt vlier gebruikt als alternatief voor conventionele medicijnen en vooral in de vorm van een extract ter bestrijding van verkoudheidvirale infecties (Influenza en herpesvirussen). Vlier wordt vaak aanbevolen als complementaire therapie samen met de klassieke antioxidanten vitamine C en zink, ter ondersteuning van de natuurlijke herstelprocessen.[2]

De Europese zwarte vlier is een rijke bron van plantenpigmenten en fenolische bestanddelen. Ze bevatten de flavonolen quercetine-3-glucoside en quercetine-3-rutinoside en een groot aantal anthocyanen, een groep fenolische bestanddelen verantwoordelijk voor de diepe rode, paarse en violette kleuren van veel fruit, groenten en dus ook vlierbessen. De anthocyanen in vlierbessen zijn cyanidine-3-sambubioside-5-glucoside, cyanidine-3,5-diglucoside, cyanidine-3-sambubioside, cyanidine-3-glucoside, cyanidine-3-rutinoside, pelargonidine-3-glucoside en pelargonidine-3-sambubioside. Na consumptie kunnen de anthocyanen in vlier de antioxidantstatus in het lichaam significant verhogen. Dierexperimenteel onderzoek en in-vitro-onderzoek heeft uitgewezen dat anthocyanen celdood (zowel apoptotische als necrotische processen) verminderen en het risico op hartinfarct verminderen door ontstekingsremmende en ontspannende effecten op de kransslagaders.[2]

Gebruik in de keuken

Van de bloeiwijzen worden als nagerecht vlierbloesembeignets gemaakt.[3] De bloeiwijze wordt in pannenkoeken gebruikt. De Noord-Amerikaanse indianen frituren de bloesem. Van de bloemen maakt men siroop. Deze wordt ook geproduceerd in Engeland en staat bekend als Elderflower Cordial. In Zweden staat het bekend als Fläderblomssaft. De gedroogde bloesem worden gebruikt om kruidenthee van te zetten. Van de vlierbloesem wordt een verfrissende limonade gemaakt, die ook bij verkoudheden wordt toegepast. Gezeefde siroop van vlier is een huismiddel tegen keel- en buikpijn.

In de periode van Sint Jan (24 juni) de jonge scheuten gebruiken.

Vlierbessen bevatten veel vitamines. De bessen bevatten de naar het geslacht genoemde licht giftige stof sambunigrine, die echter door koken onschadelijk wordt. Van de vruchten wordt vruchtensap, sterke drankjamgelei en siroop gemaakt. Ook worden de bessen gebruikt voor het verven.

Zowel bloemen als bessen worden gebruikt voor het maken van vruchtenwijn.

Bijgeloof

Aan de bloesem van de vlier worden voorspellende krachten toegeschreven. In Centraal-Europa hangen jonge meisjes in de nacht van 21 juni een bloeiende bloeiwijze achter het bed. Hierdoor zal hun toekomstige echtgenoot zich in hun droom openbaren.[3]

In de middeleeuwen had de vlier de reputatie dat hij als afweerkruid beschermde tegen hekserij. De vlier was gewijd aan Vrouw Holle.

In hekserij en Wicca is de vlier een heilige boom die niet verbrand mag worden. De Wiccan Rede waarschuwt in het Engels: Elder is the Lady’s tree, burn it not or cursed you’ll be ofwel Vlier is de boom van de Vrouwe, verbrand haar niet of je wordt vervloekt.

Pijlkruid

Pijlkruid

Sagittaria sagittifolia of pijlkruid ontleend haar naam aan de pijlvormige bladeren. Deze pijlvormige bladeren treffen we altijd boven de waterspiegel aan. Op de waterspiegel kan het blad een andere vorm hebben variërend van rond tot lancetvormig. Onder water groeien lijnvormige bladeren. De witte bloemen met een paars hart verschijnen in de periode juni-augustus. Pijlkruid kan het beste in een oever geplant worden. De diepte kan variëren van 10 tot 30 cm of zelfs iets meer. Pijlkruid verdraagt enige schaduw maar staat toch graag op een zonnige plek. Pijlkruid heeft geen bijzondere zorg nodig. Vermeerderen door scheuren, door zaad of via de winterknoppen.

Foto genomen: 13 juli 2014


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Gewone kardinaalshoed of kardinaalsmuts

Gewone kardinaalshoed of kardinaalsmuts

Euonymus europaeus, de gewone kardinaalshoed of kardinaalsmuts, komt in Nederland van nature voor in de de duinen en in het rivierengebied. Deze inheemse struik wordt ongeveer 400 tot 500 cm hoog. De standplaats van Euonymus europaeus dient zonnig of halfschaduw te zijn. Euonymus europaeus heeft een voorkeur voor zandgrond maar kan in principe op iedere goede tuingrond aangeplant worden. De bloei van Euonymus europaeus valt in mei is onopvallend. De vruchten vallen in de periode september-oktober des te meer op. De mantel van de de vierhokkige vrucht heeft een rozerode kleur en het zaad heeft een oranje kleur.

Foto genomen: 21 oktober 2011


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

Wilde Peen

Wilde Peen

De Wilde peen heeft als latijnse naam Daucus carota. Waar je de wilde peen makkelijk te herkennen is het rode tot zwart-purperachtige bloemetje wat in het midden staat van de witte (soms wat roze). een schermbloemige (Umbelliferae of Apiaceae). Zoals de naam al een beetje doet vermoeden heeft deze inheemse plant een relatie met de bekende oranje wortel, de geur van de wortel is identiek aan de “gewone” wortel, we kunnen de Wilde Peen gerust de Oerwortel noemen. De Wilde peen is eetbaar, zaai ze halverwege april, je kunt ze dan oogsten in oktober (Let op!, ze zijn dan erg dun en zijn wat bitterder dan de “gewone” wortel. De Friese naam is Wylde woartel, in het Engels Wild Carrot, op zijn Frans Carotte sauvage, en op zijn Duits Wilde Möhre. De Latijnse naam Daucus carota heeft zijn naamgeving te danken aan dat Daucus is afgeleid van de oude Griekse naam daucus wat wortel betekend of het woord is afgeleid van het Griekse daioo (wat verdelen of delen betekend), misschien omdat je grote wortels in stukken te snijd voor je ze eet. Carota betekent saffraankleurig. Vroeger was de naam van de Wilde peen Wilde wortel, nu vaak de naam vogelnestje. De naam vogelnestje heeft alles te maken met de vorm van het bloemenscherm, deze heeft namelijk de vorm van een vogelnestje (voordat de Wilde peen gaat bloeien). De Wilde peen staat graag op een zonnige plek en het liefst in een kalkhoudende grond (dat is de reden dat je hem veel in de Betuwe tegenkomt). De Wilde peen trekt ontzettend veel insecten en vlinders aan. De Koninginnenpage zetten hun eitjes er op af en de rupsen eten er lekker van.

Filmpje Wilde Peen

Wikipedia:

Wilde peen (Daucus carota), ook wel vogelnestje genoemd, is een plant uit de schermbloemenfamilie (Umbelliferae of Apiaceae). De plant komt algemeen voor in de Benelux.

De plant onderscheidt zich van de bekende oranjegele wortel of waspeen (Daucus carota subsp. sativa) door zijn penwortel die wit, vertakt en minder vlezig is. De geur van de wortel is echter onmiskenbaar. Wilde peen komt voor in droge graslandenbermendijken en duinen. De plant wordt 30-90 cm hoog.

Wilde peen is een tweejarige plant. De soort heeft koude nodig voor ze kan bloeien (dit heet stratificatie). In het tweede jaar, na de winter, gebruikt de plant de opgeslagen voedingsstoffen uit de wortel voor de verdere groei en ontwikkeling. De soort bloeit in juni tot de herfst met schermen. Het scherm bestaat uit vele stralen, waarvan de buitenste bij rijping in de vorm van een “vogelnestje” naar binnen zijn gebogen.

De bloemetjes zijn wit of roze met in het midden van het scherm vaak een plukje zwart-purperachtig. De elliptische splitvrucht is 2-3 mm lang, die met vier rijen lange aan de top hakige stekels bezet is. De plant is stijf behaard en de bladeren zijn twee- tot drievoudig geveerd. De plant is rijk aan caroteen en vitamine B.

Foto genomen:  1 augustus 2015


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

Zwanenbloem

Zwanenbloem

De zwanenbloem (Butomus umbellatus), bloeit met mooie roze bloemen in de periode (eind) mei-juli. De Zwanenbloem is de enige vertegenwoordiger van de zwanenbloemfamilie.

De zwanenbloem is een beschermde plant en mag niet geplukt worden. Erg zeldzaam is de zwanenbloem echter niet. De zwanenbloem komt in Nederland voor in waterrijke gebieden met voedselrijk water dus vooral in gebieden met een mineraalrijke kleibodem. De zwanenbloem wordt 80 tot 100 cm hoog en staat graag op een zonnige en drassige plaats. De zwanenbloem ontleend haar naam, zo gaat het verhaal, aan de gebogen stampers die lijken op de sierlijke hals van een zwaan.

Filmpje zwanenbloem

Wikipedia:

zwanenbloem (Butomus umbellatus) is een moerasplant met roze bloemen in de Zwanenbloemfamilie. Het is de enige soort in deze familie. De bloem heet zwanenbloem omdat de stampers een vorm hebben die sterk lijkt op sierlijke zwaantjes. De zes stampers hebben aan de voet nectarklieren.

De stengels van de plant bevatten overlangse luchtkanalen om de wortels van zuurstof te voorzien en zijn onderaan driehoekig van vorm, waardoor de planten stevig in het water staan. Aan de bovenkant wordt de stengel plat met een verdikt midden en scherpe randen. De wetenschappelijke geslachtsnaam Butomus (samenstelling van βοῦς=rund en τέμνω=snijden) verwijst naar de zwaardvormige bladeren.

Het feit dat de zwanenbloem in Nederland wettelijk beschermd is geweest tot eind 2016, betekent niet dat de plant zeldzaam is, integendeel, op de kleigebieden in Nederland is hij algemeen. De plant groeit vaak in sloten die jaarlijks worden geschoond. Hij heeft er echter niet veel van te lijden omdat deze schoonmaakbeurten zijn leefmilieu in stand houden. De zwanenbloem groeit in voedselrijk water. Wanneer de plant opduikt te midden van allerlei zeldzame planten in relatief voedselarm water, is dat het teken dat het water voedselrijk aan het worden is en dat de specialisten uit een dergelijk milieu zullen gaan verdwijnen. In Nederland is de plant vanaf 1 januari 2017 niet meer wettelijk beschermd.

De zwanenbloem wordt veel bezocht door graafwespen.

De zwanenbloem is als exoot geïntroduceerd in de Verenigde Staten van Amerika. De plant wordt daar ‘flowering rush’ en ‘grass rush’ genoemd en gedijt daar te goed.

Foto genomen: 18 juni 2010


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

Gele Plomp

Gele Plomp

De gele plomp (Nuphar luteum) gedijt het best in wat dieper water, tot maximaal 3 meter, op een zonnige plek. Hoe dieper Nuphar luteum staat, hoe groter de bladeren worden. Veel bladeren drijven op het water, maar de gele plomp heeft ook ondergedoken bladeren, welke doorschijnend zijn. Deze zijn het hele jaar door te zien. De gele bloemen van gele plomp met een doorsnede van 5 cm, bloeien in de periode mei t/m augustus en steken ongeveer 10 cm boven het wateroppervlakte uit. Ze lijken op grote boterbloemen. De gele plomp is een snelle groeier en kan in een sloot al snel overheersen. De zachte onderwaterbladeren van gele plomp kunnen aangevreten worden door de Posthoornslak (Planorbis corneus).

Filmpje gele plomp

Wikipedia:

De gele plomp (Nuphar lutea) is een algemeen voorkomende overblijvende waterplant met drijvende bladeren uit de waterleliefamilie (Nymphaeaceae).

De gele plomp is een plant die zich met zijn dikke en vertakte wortelstok en via zaad verbreidt. De bladeren die onder water blijven zijn doorschijnend lichtgroen en gegolfd. De drijfbladen zijn donkergroen. De stomp driekantige steel bevat nauwe luchtkanalen, waardoor zuurstof via huidmondjes op de drijvende bladeren naar de wortels wordt geleid. ook de bloemsteel heeft dergelijke kanaaltjes. Sommige larven van insecten maken onder water van de luchtkanalen gebruik om te ademen. De soort groeit in tot drie meter diep water en draagt bij aan de hoeveelheid zuurstof in het water. Soms is de groei zo weelderig dat hele wateroppervlakken bedekt worden door de grote bladeren.

De plant voelt zich thuis in stilstaand tot matig stromend tamelijk voedselrijk water. Ze komt voor in bijna heel Europa en de aangrenzende delen van Azië en Noord Afrika. In Nederland en Vlaanderen komt de plant vrij algemeen voor in laagveenplassen, brede sloten, grachten, doorbraakkolken, niet meer gebruikte kanalen en in langzaam stromende beken en rivieren.

De tweeslachtige 3 – 6 cm grote gele bloem komt gelijktijdig met de drijfbladen boven water. De bloem drijft niet op het water maar steekt erbovenuit. Ze heeft vijf of zes kelkbladen, die elkaar overlappen. Ze vormen een kom om de rest van de bloem. De vele kroonbladen zijn spatelvormig en kleiner dan de kelkbladen. Bestuiving vindt plaats door insecten. Er zijn veel meeldraden, deze weerkaatsen behalve geel ook ultraviolet licht, waardoor ze goed vindbaar zijn voor bijen. Veel insecten komen ook op de geurige nectar af. Het bovenstandig vruchtbeginsel is sterk geplooid en heeft een brede, gaafrandige stempelschijf met tien tot twintig stempelstralen.

De vrucht is een groene en flesvormige bes die aanvankelijk drijft op het water. Later valt de buitenste schil van de vrucht en splijt deze open, waarna de zaden tevoorschijn komen. De zaden zijn kortlevend, minder dan één jaar, en worden door het water verspreid. Ze zijn tweezaadlobbig.

Gele plomp werd in het verleden aan het vee gevoerd en aangewend tegen kaalheid en hondsdolheid. De eetbare wortel bevat de stof nupharine, een giftige stof die teniet wordt gedaan door de wortel goed te koken.

De gele plomp is de nationale plant van Friesland. Het blad er van, in het Fries pompeblêd genoemd, staat in het rood afgebeeld op de Friese vlag.

Foto genomen: 22 mei 2011


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

Gewone berenklauw

Gewone berenklauw

De gewone berenklauw (Heracleum sphondylium) is een wit bloeiende wilde plant die behoort tot de schermbloemige. De gewone berenklauw kom je in de Betuwe veel tegen, vooral bij dijken (stikstofrijke, vochtige grond zowel in de volle zon als in halfschaduw). De jonge stengels kun je eten.

Filmpje van de gewone berenklauw (Heracleum sphondylium)

Wikipedia:

De gewone berenklauw (Heracleum sphondylium) behoort tot de schermbloemenfamilie (Umbelliferae of Apiaceae). De plant komt van nature voor in Europa.

Het is een 90-150 cm hoge (met uitschieters tot twee meter), vaste plant, die veel langs dijken en wegen en in hooilanden voorkomt. De plant is ruw behaard en heeft drievoudig gevind tot vinspletige bladeren. De stengel is kantig en gegroefd. De gewone berenklauw bloeit van juni tot oktober met witte bloemen in veelstralige schermen. Het onderstandige vruchtbeginsel is tweehokkig met twee stijlen. De stijlen hebben een kussentje aan de voet. De gevleugelde vrucht is een tweedelige splitvrucht met eenzadige deelvruchtjes.

De gewone berenklauw komt vooral voor op stikstofrijke, vochtige grond zowel in de volle zon als in halfschaduw. De plant groeit op grasland, bosschages, in bossen en in onkruidvegetaties.

ls gesproken wordt over de berenklauw wordt vaak gedoeld op de invasieve exoten, de reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum) en Sosnowsky’s berenklauw (Heracleum sosnowskyi), waarvan het sap ernstige gevolgen kan hebben als het op de huid komt.

In RuslandEstlandLetland en Litouwen worden de stengels in de zon te drogen gelegd. Op de stengel vormen zich dan zoete, witte kristallen. De 15-20 cm lange, jonge stengels kunnen gegeten worden en smaken naar een combinatie van zoete komkommerkokosnoot en mandarijntjes. De stengels moeten geplukt worden voordat het blad zich gaat ontvouwen. Oudere stengels kunnen geschild gegeten worden. Bij het schillen moeten dan wel handschoenen gedragen worden om huidirritatie te voorkomen. De grote, aromatische bloemknoppen zijn van mei tot augustus rauw te gebruiken in salades. De zaden van de kleine of gewone berenklauw zijn ook te gebruiken. De smaak is enigszins vergelijkbaar met die van kardemom: bergamot, citroen en kamfer. Te gebruiken bij koken maar ook gemalen in salades.

Foto genomen; woensdag ‎24 ‎september ‎2014


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

Quercus robur

Quercus robur

Quercus robur is de zomereik (Inheemse eik), de zomereik is een monumentale boom die in het verleden vaak als laanboom is toegepast.

Met zijn tot laag bij de grond reikende en brede kroon is een in het landschap alleenstaande Zomereik, Quercus robur, gemakkelijk te herkennen. De boom kan eeuwen oud worden en wordt dan ook van oudsher geplant om de omvang van een stuk grond dat een bepaalde eigenaar toebehoort aan te geven. We spreken dan van een scheiboom. In onze loofbossen speelt de zomereik ook een belangrijke rol naast de Wintereik en zijn familiegenoot de Beuk. Zomereik is goed te herkennen aan de twee lobben onderaan de bladschijf waar die aan de bladsteel aansluit. (Meer informatie over de zomereik ga naar: www.floravannederland.nl)

Quercus robur (Zomereik) trekt ontzettend veel dieren aan, het is één van de belangrijkste diervriendelijke boom in Nederland. Wel één nadeel en dat hebben we de afgelopen jaren goed kunnen ondervinden, de eikenprocessierups is er dol op!


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

 

Akkerdistel

Akkerdistel

De akkerdistel (Cirsium arvense) is een in Nederland veel voorkomende distel (vederdistel). Een echte hommel en bijenplant, daarnaast zijn vinken, groenlingen en de putters er ook dol op.

De akkerdistel kom je vooral tegen op open, vochtige, zeer voedselrijke, omgewerkte grond.

Wilt u een filmpje bekijken van de Akkerdistel, klik dan op; FILMPJE

6 augustus 2019 – Buurtschap Aalst (Lienden)


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

Kraailook

Kraailook

Vanaf juni tot in september kun je grappige bolletjes tegen komen op lange groene stengeltjes. In het begin paars-groene tot wijnrode bolletjes met kleine lila-roze bloemetjes en later donker paarsrode bolletjes met groene sprietjes erop (kop met haar).

Dit grappige plantje is Kraailook (wilde uitjes) of zoals ik het vroeger noemde uiengras. Al vroeg in het voorjaar verschijnen de frisgroene stengeltjes (blad) boven de grond. Ik zou zeggen, proef het eens, de smaak heeft een beetje weg van bieslook, maar is wat scherper en pittiger.

Kraailook, komt in de Betuwe vooral voor op dijkhellingen en in de uiterwaarden. Kraailook staat graag op een zonnige tot een licht beschaduwde plek. De grond mag wat vochthoudend zijn, liefst voedselrijk en kalkrijk (vandaar dat je dit plantje in de klei kunt vinden). In het vroege voorjaar vallen ze ook op, want kraailook groeit in het voorjaar harder dan het gras.

In het Fries heet dit plantje Wylde sipel, in het Frans Ail des vignes, in het Engels Wild garlic, Crow Garlic, Wild Onion, in het Duits Weinberg-Lauch en in het Latijns Allium vineale

De naam Allium komt van het Griekse aglis, dat is ontstaan uit glis (iets kroms of rond), dat verwijst naar de bol van de looksoorten. Allium zou echter ook afkomstig kunnen zijn van het Keltische all, wat warm, scherp of brandend betekend. Vineale betekent wijnachtig of wijnkleurig (dit verwijst naar de wijnrode bloembolletjes of broedbolletjes).
De ondergrondse uienbol van Kraailook is eetbaar, maar ook het blad kan in de keuken gebruikt worden, bijvoorbeeld in soep, over aardappelen gestrooid of in een salade verwerkt (wel het jonge blad gebruiken, met name in het vroege voorjaar, oude blad / stengels worden hard en taai).De gewone melkdistel kan tot 1,5 meter hoog worden en bloeit met gele bloemen vanaf juli tot de eerste nachtvorsten. De gewone melkdistel groeit het liefst op zonnige, vochtige plekken en in een voedselrijke grond.

De gewone melkdistel kom je vooral langs de sloot tegen (je komt ze ook wel tegen in moestuinen, vaak in de buurt van de composthoop).

De stengels van de gewone melkdistel zijn hol.


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

Akkerwinde (pispotje)

Akkerwinde (pispotje)

Akkerwinde

De akkerwinde (Convolvulus arvensis) is een klimplantje uit de windefamilie. De Akkerwinde kom je vooral langs wegen en paden tegen, de grond is hier wat vast en daar houd deze woekeraar van. De stengels winden zich tegen de wijzers van de klok in om dingen heen.

De bloemen zijn rond de 3 cm groot en geuren heerlijk. Van begin juni tot ver in de herfst staan ze in bloei (juli de meeste bloemen). Soms zijn ze helemaal wit, soms wit met roze en een andere keer zijn ze helemaal roze (per plant verschillend).

filmpje akkerwinde

 


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Smalle aster

Smalle aster

De Smalle aster (Aster lanceolatus) kom je vooral op vochtige tot natte, matig voedselrijke tot voedselrijke grond tegen en dat vooral op een zonnige plek. Deze Aster kent zijn oorsprong in Noord-Amerika, maar is hier al vele jaren verwilderd. Deze wit bloeiende aster is op zijn mooist in de maanden juli en augustus.

Deze inheemse plant kwam ik op de rijndijk in Aalst (Lienden) tegen (dijkvlak Bomenman Lienden).

Filmpje smalle aster

 


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Geel walstro

Geel walstro

Geel walstro of zoals het plantje vroeger werd benoemd, echt walstro (Galium verum). In het Fries Giel slyt, in het Engels Lady’s Bedstraw, in het Frans Gaillet jaune en in het Duits Echtes Labkraut.

Vooral op dijkhellingen kun je de gele stervormige bloemen vinden van de Geel walstro en de witte stervormige bloemen van Glad walstro, Galium mollugo, vinden.

De bloemetjes hebben een zoete geur. en uit de wortels kan een rode verfstof gewonnen worden, maar ook de bloemen worden als gele verfstof gebruikt.

Met regelmaat kun je de rups van groot avondrood (Deilephila elpenor) op de Geel walstro tegenkomen. Deze grijze rups wordt tot 8 centimeter groot wordt “olifantsrups” genoemd en trekt bij verstoring zijn kop iets in en beweegt dan de ‘nek’ heen en weer.

Vroeger werd Geel walstro of bedstro gebruikt als middel
tegen vlooien en werd daarom tussen de lakens gelegd. Naast gebruik tegen vlooien werden de bloemetjes ook gebruikt om de was lekker te laten ruiken.

Om de was lekker te laten ruiken, kun je ook o.a. de bloemen van: lavendel, lievevrouwebedstro, boerenwormkruid, rozenblaadjes, lelietje-der-dalen, tijm, citroenkruid, kamille en rozemarijn gebruiken (Doe de bloemetjes in een linnen zakje en legt het tussen de schone was, heerlijk!).

 


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Speerdistel

Speerdistel

De speerdistel vormt een bladrozet, in het voorjaar komen de stengels die uiteindelijk tussen de 60 tot 120 cm hoog worden. De onderzijde van het blad is spinnenweb-achtig behaard. Het blad heeft wat weg van een speer en hebben een omgerolde rand. De speerdistel bloeit met 3 tot 5 cm grote paarse bloemen. De bloei van de speerdistel duurt van juni tot eind september.

De speerdistel heeft scherpe en grote stekels. De speerdistel komt voor in weilanden, bermen en op dijken. De speerdistel is ook als sierplant in gebruik. De speerdistel is rijk aan nectar en wordt graag bezocht door de bijen, hommels, vlinders en zweefvliegen. De Distelvink (Puttertje) is dol op het zaad.

filmpje speerdistel

 


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Aardaker

Aardaker

De aardaker (Lathyrus tuberosus) kom je vooral tegen op kalkrijke grond (rivierklei) In de Betuwe vooral op de dijken (schrale grond).

De knolletjes werden vroeger net als aardappels gekookt of net als tamme kastanjes gepoft. In de zestiende eeuw maakte ze van de bloemen parfum.

Dit Filmpje van de Aardaker is gemaakt op de rijndijk (Aalst – Lienden)

 


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Wilde cichorei

Wilde cichorei

Wilde Cichorei

En opeens zijn de Betuwse bermen blauw! Zeker in de ochtend, want vooral bij hete zonnige dagen zijn de bloemen van de Wilde cichorei in de middag alweer verdwenen.

De meeste mensen hebben wel eens van de naam Cichorei gehoord, maar dat gekoppeld aan een plant dat niet.


Cichorei is vooral bekend omdat deze inheemse plant bij geneeskundige middelen wordt gebruikt bij geneesmiddelen voor maag- en leverklachten, verstoppingen en een gebrek aan eetlust. Maar ook als versterking- en kalmeringsmiddel.

De wortels van de Wilde cichorei (in geroosterde en gemalen vorm) werden in de negentiende eeuw en in de periode van de Tweede Wereldoorlog gebruikt als koffievervanger (surrogaatkoffie), dit vanwege het hoge gehalte aan insuline.

In 1946 schreef de Heer H. Uittien over het gebruik van cichorei als vervanger voor koffie: ‘Het is een verdriet voor de menschen’. Hij kende een oude man die het surrogaat pakje ‘Sjacherijn’ of ‘Verdriet’ noemde, nee dan liever een ‘Bakkie troost!

Witlof is net als roodlof, een variëteit van cichorei. Ook andijvie is een cichorei-achtige.

Naast de naam Wilde cichorei, staat deze inheemse plant ook bekend onder de naam wegenwachter. In het Fries Sûkerei, in het Engels Chicory, in het Frans Chicorée sauvage en in het Duits Wegwarte.

De Wilde Cichorei staat graag in een verdichte kalkrijke grond, vandaar dat je deze inheemse plant vooral in bermen kunt vinden.


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Marjolein

Marjolein

Marjolein

De benamingen Majoraan en Marjolein worden dikwijls door elkaar gebruikt en geven nog weleens wat verwarring. Het liefst houden wij vast aan Majoraan (Origanum majorana, ook wel Majorana hortensis genoemd) voor de eenjarige plant (in ons klimaat) en Marjolein of Oregano (Origanum vulgare) voor de overblijvende variant.

Deze wordt ook wel de wilde majoraan genoemd. Wilde marjolein heeft een meer uitgeproken smaak die zelfs iets naar het pikante nijgt. Majoraan heeft een kruidig aroma en een zachte smaak, die bij veel gerechten past zoals kip, vis of in een slaatje. Marjolein is af te raden tijdens de zwangerschap.

De Marjolein wordt druk bezocht door vlinders en bijen.

De roze bloemen van Marjolein verschijnen in de periode juni-augustus.

De hoogte van Marjolein bedraagt circa 40-50 cm. Is vooral te vinden op zonnige en goed gedraineerde plekken. In de Betuwe vooral op dijkhellingen.

(Filmpje Marjolein)


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Hazenpootje

Hazenpootje

Hazenpootje

Latijnse naam Trifolium arvense, in het Fries Mûzeklaver, in het Duits Hasen-Klee en de Engelse naam is rabbitfoot clover.

De bloemhoofdjes (vruchthoofdje) van dit grappige wilde plantje staan op lange stelen. De zacht grijze haren van deze bloemhoofdjes hebben veel weg van de pootjes van konijnen of hazen.

Het Hazenpootje komt vooral op droge zandgrond voor die kalkarm en zuur is. Ook staat het Hazenpootje graag op plekken waar gerommeld wordt of die regelmatig gemaaid worden zoals randen van bermen en langs spoorwegen.

Het Hazenpootje wordt vaak niet hoger dan 10 cm (groeit vaak plat) en als je de bloemhoofdjes van dichtbij bekijkt zie je o.a. wit, rood, roze en grijze kleuren.

Het Hazenpootje bloeit vanaf half juni tot in september.

Het Hazenpootje heb ik gefilmd (filmpje) bij een sluisje in de Oude Rijn aan de dijk buurtschap Aalst (Lienden). Het sluisje is een paar jaar geleden geplaatst en de directe omgeving is zanderig. Komt in de Betuwe nauwelijks voor.


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.