Gewone pad (Bufo bufo)

Gewone pad (Bufo bufo)

De gewone pad is een pad met oranje ogen en een horizontale pupil. Het lichaam is variabel van kleur op de rug (van grijsbruin tot geelbruin of roodbruin) en de buik is wittig met een gemarmerde tekening. Mannetjes zijn kleiner dan vrouwtjes en hebben dikkere voorpoten (om zich mee aan vrouwtjes vast te klemmen in de paartijd). De gewone pad kan in Nederland tot 11 cm groot worden, in Zuid-Europa tot wel 15 cm.

Filmpje pad

De roep is een vrij monotoon geluid en laat zich omschrijven als een zacht en hoog trillend piepje: ‘orrrt….orrt…orrt’.

Liendenaar Harry Sacksioni heeft ook een muziekstuk gemaakt over de pad: De Paddentrek

 

Voortplanting

Gewone padden trekken massaal naar de voortplantingswateren, waarbij veel verkeersslachtoffers kunnen vallen. Op veel plaatsen worden de padden door vrijwilligers geholpen met oversteken. Deze voorjaarstek kan in warme lentes en bij een hoge luchtvochtigheid al in de tweede helft van februari beginnen. Bij wisselende temperaturen kan de trek weer stilvallen of schokkend verlopen. De piek valt in maart en april. De gewone padden leggen hun eieren in snoeren, deze worden gewikkeld rond takken of water- en oeverplanten. Een eisnoer bevat 2.000 tot 6.000 eieren. De larven zijn volledig zwart en leven aanvankelijk in dichte scholen, later solitair (zie Herkenningskaart amfibieënlarven). Van mei tot uiterlijk begin juli kunnen de zeer kleine, nog zwarte, net gemetamorfoseerde jongen ook massaal aan land kruipen (“paddenregen”). Overwintering van larven, komt voor zover bekend, niet voor .

Levenswijze

De gewone pad komt in vele habitats voor en heeft een voorkeur voor kleinschalig, gevarieerd landschap. Ze schuwen de mens niet en komen voor in tuinen, parken en ruderale terreintjes. De soort ontbreekt alleen op plaatsen waar geen voortplantingswateren voorhanden zijn, in geheel open landschap en in wateren met een te hoog zoutgehalte. Gewone padden zijn als één van de weinige amfibieën in Nederland goed bestand tegen hoge dichtheden vis. Zowel larven als adulten scheiden gifstoffen af via de huid, waardoor ze door vijanden vaak gemeden worden. Larven van de gewone pad kunnen samen scholen aan het wateroppervlakte. Padden kunnen heel oud worden (waarneming van dan 30 jaar), maar in de natuur worden ze meestal niet ouder dan 10 jaar.

Voedsel: vooral mieren, daarnaast ook kevers en insectenlarven.

Lees meer over de pad

Foto genomen: 9 maart 2014

Koninginnepage

Koninginnepage

Koninginnepage (Papilio machaon) bezoekt vlinderstruik in de achtertuin (tuin van de buren). Heel bijzonder, een vlindersoort die je niet vaak tegenkomt in de Betuwe. De Koniginnepage is normaal te zien in het zuidelijke deel van Noord-Brabant, Limburg en op hoge plekken zoals de Wageningse berg, Berg en Dal, Veluwezoom en delen van de Utrechtse Heuvelrug. Door de warme zomers van de laatste jaren komen er ook steeds meer meldingen uit de rest van Nederland, tot aan de Waddeneilanden toe. Vliegtijd en gedrag Eind april-half juni en begin juli-half september in twee generaties. In warme jaren vliegt er mogelijk een partiële derde generatie in oktober. De koninginnenpage wordt vaak bij heuveltoppen gezien waar mannetjes en vrouwtjes elkaar ontmoeten; dit gedrag wordt ‘hill-topping’ genoemd. De vroegste datum waarop de soort is gezien is 28 maart (er zijn 4 vroegere waarnemingen, die alle uit collecties komen en waarvan het thuis opkweken niet is uitgesloten). De laatste datum waarop een vlinder is gezien is 26 oktober. Levenscyclus Rups: half mei-half juni en half augustus-eind september. Bij gevaar wordt een rood vorkvormig orgaan uitgestulpt waarmee de rups een doordringende stank verspreidt. De soort overwintert als pop in de kruidlaag. ei-afzet De keuze van de waardplant verschilt enigszins tussen de generaties. Vrouwtjes van de eerste generatie zetten de eitjes af op de bovenkant van jonge bladeren van vooral peen. Die van de tweede generatie op de bloemen of bladeren van peen en andere schermbloemigen die dan beginnen te bloeien. Ieder eitje wordt op een andere bloemknop of bladtop afgezet. Jonge, vrijstaande waardplanten die boven de vegetatie uitsteken of aan de rand van een gebied op een beschutte plek groeien, hebben de voorkeur. rups en verpopping Jonge rupsen – die wat op een vogelpoepje lijken – eten eerst de eischaal op en vervolgens de bovenzijde van de bladeren. Oudere rupsen eten met name de bloeiwijze. Vanaf het vierde stadium – wanneer de rups de typische groen, zwart en oranje tekening heeft – is de rups in staat zich te verdedigen door het zogenaamde osmaterium uit de nek tevoorschijn te stulpen. Tegelijkertijd verspreidt de rups dan een doordringende (ananas)geur. De rups verpopt zich laag in de kruidlaag, bijvoorbeeld aan de stengel van de waardplant. De kleur van de pop loopt uiteen van groen tot bruin of zwart: groene poppen vallen minder op in een groene omgeving maar de bruine poppen hebben een grotere overlevingskans in een donkere omgeving. Poppen van de tweede generatie overwinteren als gordelpop. vlinders Vanaf eind april vliegen de eerste vlinders. De dichtheid is gemiddeld tot vrij hoog, circa 6 individuen per hectare. De vlinders besteden vrij veel tijd aan het zoeken naar nectar. Zij halen nectar uit allerlei kruiden, bijvoorbeeld klavers en schermbloemigen. In de zomer zijn de vlinders vaak te vinden op de vlinderstruik of op distels. Mannetjes scholen vaak samen bij een opvallend punt in het landschap, zoals een heuveltop, een oude hoge boom of zelfs een markante toren. Dit gedrag heet hill-topping. Zij proberen zo vrouwtjes naar deze plaatsen te lokken om te paren. Tijdens dit gedrag zoeken de mannetjes geen voedsel en zij jagen andere mannetjes weg die te dichtbij vliegen. Soms houden mannetjes ook patrouillevluchten. Wanneer een mannetje een vrouwtje vindt, buitelen beide vlinders om elkaar heen in een snelle vlucht en strijken vervolgens neer tussen de vegetatie om te paren. Soms blijven ze wel twee uur samen voordat het vrouwtje vertrekt om de eitjes af te zetten. Waardplanten Vooral peen (ook de gecultiveerde vorm); daarnaast ook andere schermbloemigen, zoals bevernel, engelwortel, dille, pastinaak en venkel. De rupsen worden incidenteel gezien op ruit-achtigen (Thalictrum sp.) zoals vuurwerkplant.

Filmpje Koninginnepage (Papilio machaon)

Foto genomen: 2 juli 2018


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

Vlier

Vlier

Sambucus nigra (Gewone vlier of zwarte vlierbes) Sambucus nigra is de bekende gewone vlier. Sambucus nigra wordt 4 tot 5 meter hoog en de bloei met witte bloemen vindt plaats in de maanden mei-juni. Na de bloei vormt deze vlier glimmende zwarte vruchten. De standplaats van Sambucus nigra dient zonnig tot halfschaduw te zijn. Sambucus nigra is zeer geschikt voor in een natuurlijke tuin of als solitaire heester (boompje) in de wat kleiner tuin. Sambucus nigra heeft geen bijzondere zorg nodig, kan 1 x in de drie jaar tot de grond worden teruggezet.

Foto genomen: 21 mei 2014


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

De gewone vlier (Sambucus nigra) is een plant uit de muskuskruidfamilie (Adoxaceae). De bloei is van mei tot juli. De bestuiving vindt plaats door insecten. De vruchten zijn in september en oktober rijp. De plant vermeerdert zich door zaad, dat met name door spreeuwen, die dol op de bessen zijn, wordt verspreid. Botanisch gezien zijn de bessen steenvruchten.

De gewone vlier wordt door het edelhert gegeten omdat zij de plantendelen kunnen verteren. Voor veel andere dieren is de soort giftig vanwege cyaanverbindingen in het blad. Op vlierhout is vaak de judasoorzwam te vinden.

De vlier stelt geen hoge eisen aan zijn standplaats en wordt zelfs in dakgoten gevonden.

Een in de natuur voorkomende variëteit van de gewone vlier is de peterselievlier (Sambucus nigra var. laciniata), die diep ingesneden bladeren heeft.

De gewone vlier is een kensoort voor de klasse van de doornstruwelen (Rhamno-Prunetea).

Vlieren laten zich gemakkelijk vermeerderen uit een stek van een twijg.

Het hout van de gewone vlier is zacht en splintert niet, maar het is hard als het gedroogd is. Daarom kunnen er kleine gebruiksvoorwerpen en instrumenten van worden gemaakt.

Het merg van de twijgen wordt toegepast om kleine voorwerpen te beschermen.

Vroeger eindigde de afvoer van de gootsteen boven de grond net buiten de muur. De vlierstruik werd hiervoor geplant en onttrok dit gat dan aan het zicht.[1]

Gekneusde bladeren bijeengebonden boven een deur of raam zouden muggen op afstand houden. Kransen van vliertakken legt men over de hoofden van paarden om lastige vliegen op afstand te houden.

Aan de vlier worden diverse heilzame werkingen toegeschreven. In het jaar 400 voor Christus, refereerde Hippocrates aan de vlier als zijn “medicijnkastje”. Andere bekende klassieke geneesheren, waaronder TheophrastusDioscorides en Galenus, beschouwden de vlier als een van de beste geneeskrachtige planten uit de natuur. De plantkundige Hildegard van Bingen in de 12e eeuw en de medicus en auteur Martin Blochwich in de 17e eeuw, prezen eveneens het belang van de vlier.[2]

Voorafgaand aan het tijdperk van de antibiotica, was vlier een van de belangrijkste ingrediënten in veel bereidingen van kruidengenezers, farmaceuten en medici. Vandaag de dag wordt vlier gebruikt als alternatief voor conventionele medicijnen en vooral in de vorm van een extract ter bestrijding van verkoudheidvirale infecties (Influenza en herpesvirussen). Vlier wordt vaak aanbevolen als complementaire therapie samen met de klassieke antioxidanten vitamine C en zink, ter ondersteuning van de natuurlijke herstelprocessen.[2]

De Europese zwarte vlier is een rijke bron van plantenpigmenten en fenolische bestanddelen. Ze bevatten de flavonolen quercetine-3-glucoside en quercetine-3-rutinoside en een groot aantal anthocyanen, een groep fenolische bestanddelen verantwoordelijk voor de diepe rode, paarse en violette kleuren van veel fruit, groenten en dus ook vlierbessen. De anthocyanen in vlierbessen zijn cyanidine-3-sambubioside-5-glucoside, cyanidine-3,5-diglucoside, cyanidine-3-sambubioside, cyanidine-3-glucoside, cyanidine-3-rutinoside, pelargonidine-3-glucoside en pelargonidine-3-sambubioside. Na consumptie kunnen de anthocyanen in vlier de antioxidantstatus in het lichaam significant verhogen. Dierexperimenteel onderzoek en in-vitro-onderzoek heeft uitgewezen dat anthocyanen celdood (zowel apoptotische als necrotische processen) verminderen en het risico op hartinfarct verminderen door ontstekingsremmende en ontspannende effecten op de kransslagaders.[2]

Gebruik in de keuken

Van de bloeiwijzen worden als nagerecht vlierbloesembeignets gemaakt.[3] De bloeiwijze wordt in pannenkoeken gebruikt. De Noord-Amerikaanse indianen frituren de bloesem. Van de bloemen maakt men siroop. Deze wordt ook geproduceerd in Engeland en staat bekend als Elderflower Cordial. In Zweden staat het bekend als Fläderblomssaft. De gedroogde bloesem worden gebruikt om kruidenthee van te zetten. Van de vlierbloesem wordt een verfrissende limonade gemaakt, die ook bij verkoudheden wordt toegepast. Gezeefde siroop van vlier is een huismiddel tegen keel- en buikpijn.

In de periode van Sint Jan (24 juni) de jonge scheuten gebruiken.

Vlierbessen bevatten veel vitamines. De bessen bevatten de naar het geslacht genoemde licht giftige stof sambunigrine, die echter door koken onschadelijk wordt. Van de vruchten wordt vruchtensap, sterke drankjamgelei en siroop gemaakt. Ook worden de bessen gebruikt voor het verven.

Zowel bloemen als bessen worden gebruikt voor het maken van vruchtenwijn.

Bijgeloof

Aan de bloesem van de vlier worden voorspellende krachten toegeschreven. In Centraal-Europa hangen jonge meisjes in de nacht van 21 juni een bloeiende bloeiwijze achter het bed. Hierdoor zal hun toekomstige echtgenoot zich in hun droom openbaren.[3]

In de middeleeuwen had de vlier de reputatie dat hij als afweerkruid beschermde tegen hekserij. De vlier was gewijd aan Vrouw Holle.

In hekserij en Wicca is de vlier een heilige boom die niet verbrand mag worden. De Wiccan Rede waarschuwt in het Engels: Elder is the Lady’s tree, burn it not or cursed you’ll be ofwel Vlier is de boom van de Vrouwe, verbrand haar niet of je wordt vervloekt.

Pijlkruid

Pijlkruid

Sagittaria sagittifolia of pijlkruid ontleend haar naam aan de pijlvormige bladeren. Deze pijlvormige bladeren treffen we altijd boven de waterspiegel aan. Op de waterspiegel kan het blad een andere vorm hebben variërend van rond tot lancetvormig. Onder water groeien lijnvormige bladeren. De witte bloemen met een paars hart verschijnen in de periode juni-augustus. Pijlkruid kan het beste in een oever geplant worden. De diepte kan variëren van 10 tot 30 cm of zelfs iets meer. Pijlkruid verdraagt enige schaduw maar staat toch graag op een zonnige plek. Pijlkruid heeft geen bijzondere zorg nodig. Vermeerderen door scheuren, door zaad of via de winterknoppen.

Foto genomen: 13 juli 2014


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Gewone kardinaalshoed of kardinaalsmuts

Gewone kardinaalshoed of kardinaalsmuts

Euonymus europaeus, de gewone kardinaalshoed of kardinaalsmuts, komt in Nederland van nature voor in de de duinen en in het rivierengebied. Deze inheemse struik wordt ongeveer 400 tot 500 cm hoog. De standplaats van Euonymus europaeus dient zonnig of halfschaduw te zijn. Euonymus europaeus heeft een voorkeur voor zandgrond maar kan in principe op iedere goede tuingrond aangeplant worden. De bloei van Euonymus europaeus valt in mei is onopvallend. De vruchten vallen in de periode september-oktober des te meer op. De mantel van de de vierhokkige vrucht heeft een rozerode kleur en het zaad heeft een oranje kleur.

Foto genomen: 21 oktober 2011


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

Wilde Peen

Wilde Peen

De Wilde peen heeft als latijnse naam Daucus carota. Waar je de wilde peen makkelijk te herkennen is het rode tot zwart-purperachtige bloemetje wat in het midden staat van de witte (soms wat roze). een schermbloemige (Umbelliferae of Apiaceae). Zoals de naam al een beetje doet vermoeden heeft deze inheemse plant een relatie met de bekende oranje wortel, de geur van de wortel is identiek aan de “gewone” wortel, we kunnen de Wilde Peen gerust de Oerwortel noemen. De Wilde peen is eetbaar, zaai ze halverwege april, je kunt ze dan oogsten in oktober (Let op!, ze zijn dan erg dun en zijn wat bitterder dan de “gewone” wortel. De Friese naam is Wylde woartel, in het Engels Wild Carrot, op zijn Frans Carotte sauvage, en op zijn Duits Wilde Möhre. De Latijnse naam Daucus carota heeft zijn naamgeving te danken aan dat Daucus is afgeleid van de oude Griekse naam daucus wat wortel betekend of het woord is afgeleid van het Griekse daioo (wat verdelen of delen betekend), misschien omdat je grote wortels in stukken te snijd voor je ze eet. Carota betekent saffraankleurig. Vroeger was de naam van de Wilde peen Wilde wortel, nu vaak de naam vogelnestje. De naam vogelnestje heeft alles te maken met de vorm van het bloemenscherm, deze heeft namelijk de vorm van een vogelnestje (voordat de Wilde peen gaat bloeien). De Wilde peen staat graag op een zonnige plek en het liefst in een kalkhoudende grond (dat is de reden dat je hem veel in de Betuwe tegenkomt). De Wilde peen trekt ontzettend veel insecten en vlinders aan. De Koninginnenpage zetten hun eitjes er op af en de rupsen eten er lekker van.

Filmpje Wilde Peen

Wikipedia:

Wilde peen (Daucus carota), ook wel vogelnestje genoemd, is een plant uit de schermbloemenfamilie (Umbelliferae of Apiaceae). De plant komt algemeen voor in de Benelux.

De plant onderscheidt zich van de bekende oranjegele wortel of waspeen (Daucus carota subsp. sativa) door zijn penwortel die wit, vertakt en minder vlezig is. De geur van de wortel is echter onmiskenbaar. Wilde peen komt voor in droge graslandenbermendijken en duinen. De plant wordt 30-90 cm hoog.

Wilde peen is een tweejarige plant. De soort heeft koude nodig voor ze kan bloeien (dit heet stratificatie). In het tweede jaar, na de winter, gebruikt de plant de opgeslagen voedingsstoffen uit de wortel voor de verdere groei en ontwikkeling. De soort bloeit in juni tot de herfst met schermen. Het scherm bestaat uit vele stralen, waarvan de buitenste bij rijping in de vorm van een “vogelnestje” naar binnen zijn gebogen.

De bloemetjes zijn wit of roze met in het midden van het scherm vaak een plukje zwart-purperachtig. De elliptische splitvrucht is 2-3 mm lang, die met vier rijen lange aan de top hakige stekels bezet is. De plant is stijf behaard en de bladeren zijn twee- tot drievoudig geveerd. De plant is rijk aan caroteen en vitamine B.

Foto genomen:  1 augustus 2015


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

Gewone berenklauw

Gewone berenklauw

De gewone berenklauw (Heracleum sphondylium) is een wit bloeiende wilde plant die behoort tot de schermbloemige. De gewone berenklauw kom je in de Betuwe veel tegen, vooral bij dijken (stikstofrijke, vochtige grond zowel in de volle zon als in halfschaduw). De jonge stengels kun je eten.

Filmpje van de gewone berenklauw (Heracleum sphondylium)

Wikipedia:

De gewone berenklauw (Heracleum sphondylium) behoort tot de schermbloemenfamilie (Umbelliferae of Apiaceae). De plant komt van nature voor in Europa.

Het is een 90-150 cm hoge (met uitschieters tot twee meter), vaste plant, die veel langs dijken en wegen en in hooilanden voorkomt. De plant is ruw behaard en heeft drievoudig gevind tot vinspletige bladeren. De stengel is kantig en gegroefd. De gewone berenklauw bloeit van juni tot oktober met witte bloemen in veelstralige schermen. Het onderstandige vruchtbeginsel is tweehokkig met twee stijlen. De stijlen hebben een kussentje aan de voet. De gevleugelde vrucht is een tweedelige splitvrucht met eenzadige deelvruchtjes.

De gewone berenklauw komt vooral voor op stikstofrijke, vochtige grond zowel in de volle zon als in halfschaduw. De plant groeit op grasland, bosschages, in bossen en in onkruidvegetaties.

ls gesproken wordt over de berenklauw wordt vaak gedoeld op de invasieve exoten, de reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum) en Sosnowsky’s berenklauw (Heracleum sosnowskyi), waarvan het sap ernstige gevolgen kan hebben als het op de huid komt.

In RuslandEstlandLetland en Litouwen worden de stengels in de zon te drogen gelegd. Op de stengel vormen zich dan zoete, witte kristallen. De 15-20 cm lange, jonge stengels kunnen gegeten worden en smaken naar een combinatie van zoete komkommerkokosnoot en mandarijntjes. De stengels moeten geplukt worden voordat het blad zich gaat ontvouwen. Oudere stengels kunnen geschild gegeten worden. Bij het schillen moeten dan wel handschoenen gedragen worden om huidirritatie te voorkomen. De grote, aromatische bloemknoppen zijn van mei tot augustus rauw te gebruiken in salades. De zaden van de kleine of gewone berenklauw zijn ook te gebruiken. De smaak is enigszins vergelijkbaar met die van kardemom: bergamot, citroen en kamfer. Te gebruiken bij koken maar ook gemalen in salades.

Foto genomen; woensdag ‎24 ‎september ‎2014


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

Wolf in de Betuwe?

Wolf in de Betuwe?

Wolf in Lienden? (Gemeente Buren, Betuwe)

Gisteren een lekkere wandeling gemaakt met dochterlief (Amber van Laar), van alles gezien en lekker genoten van de schitterende omgeving, maar. Maar toen kwamen we dit tegen bij boomkwekerij Tijssen in de Haagsestraat (net na het nieuwe kerkhof).

Het is een zeer grote voetafdruk, Amber heeft schoenmaat 39, dus het lijkt mij van een wolf (of van een zeer grote hond, kan natuurlijk ook).

Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

Akkerdistel

Akkerdistel

De akkerdistel (Cirsium arvense) is een in Nederland veel voorkomende distel (vederdistel). Een echte hommel en bijenplant, daarnaast zijn vinken, groenlingen en de putters er ook dol op.

De akkerdistel kom je vooral tegen op open, vochtige, zeer voedselrijke, omgewerkte grond.

Wilt u een filmpje bekijken van de Akkerdistel, klik dan op; FILMPJE

6 augustus 2019 – Buurtschap Aalst (Lienden)


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

Kraailook

Kraailook

Vanaf juni tot in september kun je grappige bolletjes tegen komen op lange groene stengeltjes. In het begin paars-groene tot wijnrode bolletjes met kleine lila-roze bloemetjes en later donker paarsrode bolletjes met groene sprietjes erop (kop met haar).

Dit grappige plantje is Kraailook (wilde uitjes) of zoals ik het vroeger noemde uiengras. Al vroeg in het voorjaar verschijnen de frisgroene stengeltjes (blad) boven de grond. Ik zou zeggen, proef het eens, de smaak heeft een beetje weg van bieslook, maar is wat scherper en pittiger.

Kraailook, komt in de Betuwe vooral voor op dijkhellingen en in de uiterwaarden. Kraailook staat graag op een zonnige tot een licht beschaduwde plek. De grond mag wat vochthoudend zijn, liefst voedselrijk en kalkrijk (vandaar dat je dit plantje in de klei kunt vinden). In het vroege voorjaar vallen ze ook op, want kraailook groeit in het voorjaar harder dan het gras.

In het Fries heet dit plantje Wylde sipel, in het Frans Ail des vignes, in het Engels Wild garlic, Crow Garlic, Wild Onion, in het Duits Weinberg-Lauch en in het Latijns Allium vineale

De naam Allium komt van het Griekse aglis, dat is ontstaan uit glis (iets kroms of rond), dat verwijst naar de bol van de looksoorten. Allium zou echter ook afkomstig kunnen zijn van het Keltische all, wat warm, scherp of brandend betekend. Vineale betekent wijnachtig of wijnkleurig (dit verwijst naar de wijnrode bloembolletjes of broedbolletjes).
De ondergrondse uienbol van Kraailook is eetbaar, maar ook het blad kan in de keuken gebruikt worden, bijvoorbeeld in soep, over aardappelen gestrooid of in een salade verwerkt (wel het jonge blad gebruiken, met name in het vroege voorjaar, oude blad / stengels worden hard en taai).De gewone melkdistel kan tot 1,5 meter hoog worden en bloeit met gele bloemen vanaf juli tot de eerste nachtvorsten. De gewone melkdistel groeit het liefst op zonnige, vochtige plekken en in een voedselrijke grond.

De gewone melkdistel kom je vooral langs de sloot tegen (je komt ze ook wel tegen in moestuinen, vaak in de buurt van de composthoop).

De stengels van de gewone melkdistel zijn hol.


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, Buitenmens met passie voor groen.

Ooievaars

Ooievaars

Heel bijzonder, tenminste ik had het in Lienden nog niet eerder gezien. Een ooievaarsnest in een boom, dus niet een nest wat door mensenhanden al een beetje opgebouwd was, maar helemaal door de ooievaars zelf gebouwd.


Deze upload is ingediend door Wander van Laar, buitenmens met passie voor groen!.

Akkerwinde (pispotje)

Akkerwinde (pispotje)

Akkerwinde

De akkerwinde (Convolvulus arvensis) is een klimplantje uit de windefamilie. De Akkerwinde kom je vooral langs wegen en paden tegen, de grond is hier wat vast en daar houd deze woekeraar van. De stengels winden zich tegen de wijzers van de klok in om dingen heen.

De bloemen zijn rond de 3 cm groot en geuren heerlijk. Van begin juni tot ver in de herfst staan ze in bloei (juli de meeste bloemen). Soms zijn ze helemaal wit, soms wit met roze en een andere keer zijn ze helemaal roze (per plant verschillend).

filmpje akkerwinde

 


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Smalle aster

Smalle aster

De Smalle aster (Aster lanceolatus) kom je vooral op vochtige tot natte, matig voedselrijke tot voedselrijke grond tegen en dat vooral op een zonnige plek. Deze Aster kent zijn oorsprong in Noord-Amerika, maar is hier al vele jaren verwilderd. Deze wit bloeiende aster is op zijn mooist in de maanden juli en augustus.

Deze inheemse plant kwam ik op de rijndijk in Aalst (Lienden) tegen (dijkvlak Bomenman Lienden).

Filmpje smalle aster

 


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Speerdistel

Speerdistel

De speerdistel vormt een bladrozet, in het voorjaar komen de stengels die uiteindelijk tussen de 60 tot 120 cm hoog worden. De onderzijde van het blad is spinnenweb-achtig behaard. Het blad heeft wat weg van een speer en hebben een omgerolde rand. De speerdistel bloeit met 3 tot 5 cm grote paarse bloemen. De bloei van de speerdistel duurt van juni tot eind september.

De speerdistel heeft scherpe en grote stekels. De speerdistel komt voor in weilanden, bermen en op dijken. De speerdistel is ook als sierplant in gebruik. De speerdistel is rijk aan nectar en wordt graag bezocht door de bijen, hommels, vlinders en zweefvliegen. De Distelvink (Puttertje) is dol op het zaad.

filmpje speerdistel

 


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Wilde cichorei

Wilde cichorei

Wilde Cichorei

En opeens zijn de Betuwse bermen blauw! Zeker in de ochtend, want vooral bij hete zonnige dagen zijn de bloemen van de Wilde cichorei in de middag alweer verdwenen.

De meeste mensen hebben wel eens van de naam Cichorei gehoord, maar dat gekoppeld aan een plant dat niet.


Cichorei is vooral bekend omdat deze inheemse plant bij geneeskundige middelen wordt gebruikt bij geneesmiddelen voor maag- en leverklachten, verstoppingen en een gebrek aan eetlust. Maar ook als versterking- en kalmeringsmiddel.

De wortels van de Wilde cichorei (in geroosterde en gemalen vorm) werden in de negentiende eeuw en in de periode van de Tweede Wereldoorlog gebruikt als koffievervanger (surrogaatkoffie), dit vanwege het hoge gehalte aan insuline.

In 1946 schreef de Heer H. Uittien over het gebruik van cichorei als vervanger voor koffie: ‘Het is een verdriet voor de menschen’. Hij kende een oude man die het surrogaat pakje ‘Sjacherijn’ of ‘Verdriet’ noemde, nee dan liever een ‘Bakkie troost!

Witlof is net als roodlof, een variëteit van cichorei. Ook andijvie is een cichorei-achtige.

Naast de naam Wilde cichorei, staat deze inheemse plant ook bekend onder de naam wegenwachter. In het Fries Sûkerei, in het Engels Chicory, in het Frans Chicorée sauvage en in het Duits Wegwarte.

De Wilde Cichorei staat graag in een verdichte kalkrijke grond, vandaar dat je deze inheemse plant vooral in bermen kunt vinden.


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Marjolein

Marjolein

Marjolein

De benamingen Majoraan en Marjolein worden dikwijls door elkaar gebruikt en geven nog weleens wat verwarring. Het liefst houden wij vast aan Majoraan (Origanum majorana, ook wel Majorana hortensis genoemd) voor de eenjarige plant (in ons klimaat) en Marjolein of Oregano (Origanum vulgare) voor de overblijvende variant.

Deze wordt ook wel de wilde majoraan genoemd. Wilde marjolein heeft een meer uitgeproken smaak die zelfs iets naar het pikante nijgt. Majoraan heeft een kruidig aroma en een zachte smaak, die bij veel gerechten past zoals kip, vis of in een slaatje. Marjolein is af te raden tijdens de zwangerschap.

De Marjolein wordt druk bezocht door vlinders en bijen.

De roze bloemen van Marjolein verschijnen in de periode juni-augustus.

De hoogte van Marjolein bedraagt circa 40-50 cm. Is vooral te vinden op zonnige en goed gedraineerde plekken. In de Betuwe vooral op dijkhellingen.

(Filmpje Marjolein)


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.

Hazenpootje

Hazenpootje

Hazenpootje

Latijnse naam Trifolium arvense, in het Fries Mûzeklaver, in het Duits Hasen-Klee en de Engelse naam is rabbitfoot clover.

De bloemhoofdjes (vruchthoofdje) van dit grappige wilde plantje staan op lange stelen. De zacht grijze haren van deze bloemhoofdjes hebben veel weg van de pootjes van konijnen of hazen.

Het Hazenpootje komt vooral op droge zandgrond voor die kalkarm en zuur is. Ook staat het Hazenpootje graag op plekken waar gerommeld wordt of die regelmatig gemaaid worden zoals randen van bermen en langs spoorwegen.

Het Hazenpootje wordt vaak niet hoger dan 10 cm (groeit vaak plat) en als je de bloemhoofdjes van dichtbij bekijkt zie je o.a. wit, rood, roze en grijze kleuren.

Het Hazenpootje bloeit vanaf half juni tot in september.

Het Hazenpootje heb ik gefilmd (filmpje) bij een sluisje in de Oude Rijn aan de dijk buurtschap Aalst (Lienden). Het sluisje is een paar jaar geleden geplaatst en de directe omgeving is zanderig. Komt in de Betuwe nauwelijks voor.


Deze upload is ingediend door Wander van Laar – Buitenmens met passie voor groen.